Femke: In Melk aangekomen, zie ik de prachtige natuur. Onze jeugdherberg waar we tot morgen vertoeven, laat voor mij een verzorgde en familiale indruk na. Ik vind het heerlijk om ’s avonds nog eventjes de streek te verkennen en te genieten van de plaatselijke specialiteiten, zoals warme apfelstrüdel.
dinsdag 29 april 2008
Melk
maandag 28 april 2008
Boekje
dinsdag 15 april 2008
Rijden
Als we een toiletbezoek willen brengen, zien we de lange rij staan. We beslissen om deze te vermijden en de mannen niet te lang te laten wachten. We kiezen om de beruchte “bosjes” te betreden. Als ferme madammen stappen we richting doel. We zien een bewandelbaar hellinkje, maar glijden al snel uit met onze sportschoentjes. Ik begin al snel te bedenken dat wachten aan de vrouwentoiletten misschien toch niet zo’n slecht idee was.
Nachtelijk vertrek
Tom: Kwart na drie. Het is nog donker en het regent zacht. Ik neem de sleutel en ga het IPSOC-gebouw binnen. Ik voel me een beetje een indringer.Kwart na vier. Het is nog donker en het regent zacht. We vertrekken: een bus vol popelende mensjes met slaapogen.
Femke: Wat een nacht! In mijn slaap ben ik nog steeds bezig met mijn valies te maken om zeker te zijn dat ik niets vergeten ben. Mijn gedachten zitten verre van in dromenland… Als het “zalige en gekende” deuntje uit mijn gsm luidt, word ik uit mijn lijden verlost. Ik besef dat het tijd is om op te staan. Bij het buiten steken van mijn neus, voel ik de regen lichtjes spatten. Er hangt een mysterieuze geur in de lucht van regen en onweer. Perfect voor mij om te vertrekken naar iets wat nog steeds nieuwsgierigheid opwekt. In de bus zoek ik snel een plekje die er comfortabel uitziet, maar welke positie ik ook probeer in te nemen, het ligt toch niet zo comfortabel als mijn bedje. Toch sluit ik moeiteloos mijn ogen.
zondag 13 april 2008
Vertrekken
Na het wassen en het plassen begint de checkbeurt en de hercheckbeurt. In de auto realiseer ik mij dat ik op weg ben om toch wel 11 dagen met volstrekte, of toch bijna volstrekte, vreemde mensen naar Roemenie te trekken. Enkele zenuwen gieren door mijn lichaam. Spannend! Bijna iedereen is aanwezig als ik aankom [nvdr: die volgorde werd de hele reis aangehouden]. Het busje wordt volgestouwd met allerlei voorwerpen, koffers, slaapzakken. Na afscheid te hebben genomen van de toch wel bezorgde moeders (‘vergeet je vitaminepilletje niet in te nemen!’), vaders, broers, vrienden en vriendinnen vindt iedereen een plekje in het toch wel niet zo klein als verwachte busje.
Plopii fara Sot
De vzw Oradea werkte verschillende projecten uit in en rond de Hongaars-Roemeense grensstad Oradea. Oorspronkelijk richtten ze zich op de zorg voor jonge kinderen met een handicap, met het ondersteunen van gezinsvervangende tehuizen en speciale/buitengewone scholen. De meest recente realisatie is een groot preventiecentrum dat moeders wil helpen om hun kind zelf op te voeden, zowel door hulp als crisisopvang te bieden.De naam voor het centrum, dat onder de districtsdienst voor sociaal werk en kinderbescherming valt, is ontleend aan een gedicht van Mihai Eminescu, Roemenië's antwoord op Guido Gezelle. Het is een nogal rancuneus wraakgedicht, dat in de titel verwijst naar een verweesde rij populieren, achterblijvende partners. Het is ook op muziek gezet. En dit is mijn poging tot vertaling. Ik ben niet goed in vertalen èn rijmen. En metrum houden.
Pa linga plopii fara sot
Al langs d’allene populierenBen ik vaak voorbij gegaan
D'hele buurt telde m’n stappen
Alleen maar jij die hoorde ze niet.
Het licht dat uit je venster scheen
Dat trok mijn blikken steevast aan
De hele wereld wist van dat staren
Alleen maar jij die zag dat niet.

Hoe vaak heb ik dan toch gewacht,
Gebeden om een teken t'rug
Als ik nog één dag dan kon leven
Dan zou één dag wel volstaan
Zelfs één uur wilde ik met jou delen,
Elkaar beminnen, liefdevol
En dan naar jouw gefluister luist'ren
Dat uur zou tellen voor eeuwig.
Als jouw ogen me hadden gezien
En me gezonden één enk'le straal
Dan zou tot in d’eeuwigheid der dagen
Onze ster aan d'hemel staan

Je zou voor eeuwig verder leven
Levens, vele levens lang
Met je koude marm’ren armen
Mooi en machtig marmer, dan.
Een afgodsbeeld voor eeuwig aanbeden
Zoals er nu geen meer ontstaan
Dat komt uit ver vervlogen tijden
Tot bij ons vandaag, dan.
Met heidens' ogen aanbad ik je dan
Met ogen vol van spijt keek ik toen
Die mijn voorouderen aan me gaven
Zoals d'ouders aan d'ouders doen
Vandaag heb 'k geen enk'le spijt meer
Ik ga er minder vaak voorbij
'k Weet dat je hoofd vol droefheid
Nu neerbuigt, vol respijt

Omdat je vandaag slechts als al d'and'ren bent,
In de schaduw'n, in de havenkroeg
En als ik je dan nog's d'ogen kruis
Zie'k daarin een kille, dode blik
Je had het moeten weten
zo’n heilig wonder mooi
En ’s nachts je kaars doen branden
Met het liefdeslicht op aard.
"Familia", XIX, 1883, 28 august 9 septembrie, nr. 35
Waarom?
Wel... ik weet het ook niet echt.